Hoe wordt herkenbaar wat zich in de praktijk al heeft ontwikkeld?
Auteur: Ruud van der Splinter / Dutch Luxury Design
September 2026
Waarom dit Praktijk Inzicht?
Een makerspraktijk ontwikkelt zich door te maken. Door te proberen, te kiezen, iets opnieuw te doen, een andere richting te volgen omdat die interessant blijkt.
In de loop van de tijd ontstaat daardoor veel kennis: over materialen en technieken, over wat werkt en wat niet, maar ook over vragen die blijven terugkomen en fascinaties die van vorm veranderen. Een deel van die kennis is bewust en expliciet. Een ander deel is zo verweven geraakt met het maken dat het zich vooral laat zien in keuzes en handelen, zonder ooit benoemd te zijn.
Toch kan er iets bijzonders gebeuren wanneer verschillende werken of momenten uit een praktijk naast elkaar worden geplaatst. Dan kan een samenhang zichtbaar worden die eerder niet als samenhang was benoemd — niet omdat de maker die niet kende, maar omdat iets wat impliciet aanwezig was, vanuit een ander perspectief ineens herkenbaar wordt.
Wat gebeurt er eigenlijk, op het moment dat iets wat er in de praktijk allang was, ineens gezien wordt?
Ontmoeting
De maker heeft een aantal werken uit de opslag gehaald. Ze staan nu verspreid door de ruimte. Een paar recente werken, een aantal oudere stukken en ergens daartussen een klein werk dat hij jaren geleden maakte en eigenlijk vergeten was. Hij loopt erlangs en blijft staan. Er zit iets in dat hem weer aanspreekt — de verhouding, misschien, of de manier waarop het materiaal reageert op het licht. Hij weet nog dat hij er destijds mee experimenteerde, zonder duidelijk plan voor wat het moest worden.
Hij kijkt naar het werk dat ernaast staat. Heel anders. Toch legt hij beide naast elkaar — en op het moment dat hij dat doet, verandert er iets in hoe hij kijkt. Dan pakt hij een derde. Niet hetzelfde, maar wel iets wat hij herkent.
Hij herinnert zich een keuze die toen goed voelde. Een materiaal dat hij later opnieuw gebruikte. Een vorm die hij bleef aanpassen totdat die precies goed was. Hij had deze werken nooit als een serie gezien — ze zijn ook niet als serie gemaakt. Toch lijkt er nu iets tussen te ontstaan. Geen verhaal dat hij vooraf had bedacht. Eerder een patroon.
En dan komt de gedachte op: Doe ik dit eigenlijk vaker?
De praktijkvraag
De werken zijn niet veranderd. De maker heeft niets nieuws gemaakt. Toch is er iets veranderd in de manier waarop verschillende momenten van zijn praktijk met elkaar verbonden worden. Een verhouding blijkt vaker terug te komen. Een fascinatie blijkt verschillende vormen te hebben aangenomen. Wat eerst losse ervaringen waren, begint samenhang te krijgen.
Dat betekent niet dat de maker zijn eigen praktijk daarvoor niet kende — hij kende ieder werk vanuit het maken zelf. Wat verandert, is het perspectief op die kennis: een deel van wat er al was, wordt nu herkenbaar als samenhang.
Daarmee ontstaat de vraag die dit essay onderzoekt: Hoe kan kennis die al in een makerspraktijk aanwezig is, vanuit een ander perspectief expliciet worden als kennis over die praktijk?
Het onderzoek
Kennis die in het handelen zit
Veel makers beginnen niet met een volledig uitgewerkt beeld van wat een werk moet worden. Er is een uitgangspunt — een materiaal, een vraag, een fascinatie — en daarna begint het werk mee te doen. Een materiaal reageert anders dan verwacht, een vorm blijkt niet te werken, een onverwachte combinatie opent een mogelijkheid. De maker reageert, en die reactie beïnvloedt het vervolg.
David Pye beschreef het maken als een voortdurende wisselwerking tussen intentie, beheersing en onzekerheid: het resultaat is niet simpelweg de uitvoering van een vooraf vaststaand plan, maar wordt mede bepaald door wat er tijdens het maken gebeurt.¹
Het maken is daarmee niet alleen een manier om een idee uit te voeren — het is ook een manier waarop een praktijk zich verder ontwikkelt.
Dat wordt vaak het duidelijkst wanneer een maker zegt: ik werk op gevoel. Een verhouding klopt, een materiaal heeft precies de juiste weerstand, een technisch goede oplossing past toch niet bij het werk. Dat herkennen is niet willekeurig — het is gevormd door ervaring, door kijken, proberen en opnieuw beginnen.
Michael Polanyi noemt dit tacit knowledge: kennis die in handelen en ervaring aanwezig is zonder volledig onder woorden te zijn gebracht. We weten meer dan we kunnen zeggen.²
Voor de makerspraktijk betekent dit dat kennis niet alleen zit in wat een maker over zijn werk kan vertellen, maar ook in de manier waarop hij werkt, kiest en verwerpt. Die kennis is daarmee niet onbewust — ze is eenvoudigweg impliciet.
Wanneer die kennis zichtbaar wordt
Zolang een maker midden in een maakproces zit, is het niet eenvoudig om te zien wat zich over verschillende werken heen ontwikkelt. Iedere keuze heeft zijn eigen aanleiding, ieder experiment zijn eigen moment. De samenhang tussen die momenten blijft daardoor vaak buiten beeld.
Dat verandert op het moment dat werken naast elkaar worden geplaatst — een moment dat verderop in dit essay een eigen naam krijgt. Of wanneer iemand een vraag stelt die de maker uitnodigt verschillende momenten met elkaar te verbinden. Interessant is dat dit niet vanzelf gebeurt: een maker kan jarenlang werken zonder dat te doen. Niet omdat hij zijn werk niet kent, maar omdat hij het kent van binnenuit — de praktijk is zijn dagelijkse werkelijkheid.
Soms is er iets van buiten nodig om het vanzelfsprekende te onderbreken: een vraag die blijft hangen, een vergelijking die nog niet eerder was gemaakt. Het hoeft geen grote gebeurtenis te zijn. De externe blik levert daarbij geen nieuwe kennis — de kennis is al opgebouwd in de praktijk van de maker. Wat een ander kan doen, is een perspectief openen waarin bestaande kennis anders verbonden kan worden, simpelweg door naast elkaar te zetten wat eerder apart stond.
Dat sluit aan bij het werk van Donald Schön. Hij beschrijft hoe professioneel weten vaak impliciet aanwezig is in het handelen — knowing-in-action — en hoe een verrassing of verstoring aanleiding kan geven om opnieuw naar dat handelen te kijken.³
De reflectie voegt daarbij niet noodzakelijk nieuwe kennis toe. Ze haalt bestaande kennis naar voren.
Een verschuiving in perspectief, geen nieuw feit
Wanneer zo'n verband zichtbaar wordt, kan de maker er woorden aan geven — niet noodzakelijk definitieve woorden, maar wel een explicieter begrip. Deze fascinatie komt steeds terug. Dit materiaal gebruik ik niet alleen omdat het technisch geschikt is. Wat benoemd kan worden, kan ook bewuster worden onderzocht: de maker kan beter onderscheiden wat toeval was en wat zich over langere tijd heeft ontwikkeld.
Dat betekent niet dat hij daarna zou moeten zeggen: dit is mijn praktijk, alsof daarmee iets definitiefs is vastgesteld. De waarde zit in het nieuwe perspectief, niet in een vaststaande uitspraak. Een eerder werk kan een andere plaats krijgen binnen de ontwikkeling van de praktijk; een vertrouwde richting kan bewuster worden onderzocht. De praktijk wordt daardoor niet anders, en zeker niet kleiner of voorspelbaarder — de kennis erover wordt explicieter, en daarmee rijker aan onderscheid.
Praktijk Inzicht
Wat hier zichtbaar wordt, is iets anders dan reflectie in de gangbare zin. Schön beschrijft hoe een verrassing of verstoring een professional ertoe aanzet terug te kijken op zijn handelen — er gebeurt iets onverwachts, en dát onverwachte opent de reflectie.
In de werkplaats van de maker gebeurt iets anders. Er is geen verrassing, geen storing, geen probleem dat om aandacht vraagt. Er is alleen een handeling: werken worden naast elkaar gezet. Precies dát blijkt voldoende — niet omdat het nieuwe informatie oplevert, maar omdat het een ander soort kijken mogelijk maakt. Een kijken dat niet naar één werk gaat, maar naar de ruimte ertussen.
Dat moment verdient een eigen naam: praktijkherkenning. Niet de reflectie op één handeling, zoals bij Schön, maar het herkennen van een patroon over meerdere handelingen heen — een patroon dat pas zichtbaar wordt zodra er iets is om naast te leggen.
Praktijkherkenning voegt geen kennis toe. Ze verplaatst kennis die al bestond naar een plek waar hij zich kan tonen. De maker wist welke keuzes hij maakte; hij wist niet dat die keuzes met elkaar spraken. Daarmee onderscheidt het zich ook van Polanyi's tacit knowledge, die in het kunnen zit — je weet meer dan je kunt zeggen. Praktijkherkenning zit niet in het kunnen, maar in het kunnen zien: het moment waarop verspreide bekwaamheid zich aandient als samenhang.
Een makerspraktijk ontwikkelt zich dus niet alleen door te maken. Ze ontwikkelt zich ook door momenten van praktijkherkenning — momenten waarop het naast elkaar zetten van wat er al is, zichtbaar maakt wat zich zonder woorden al had gevormd.
Betekenis voor de makerspraktijk
Bewuste ontwikkeling van een makerspraktijk hoeft niet te beginnen met het formuleren van een nieuwe richting. Ze kan ook beginnen met praktijkherkenning: het moment waarop zichtbaar wordt wat zich al heeft ontwikkeld, doordat het naast elkaar komt te staan.
Dat naast elkaar zetten hoeft niet doelbewust ingericht te zijn. Het kan ontstaan doordat werken uit verschillende perioden toevallig samen in een ruimte staan, doordat iemand een vraag stelt die twee momenten verbindt, of doordat een buitenstaander een overeenkomst opmerkt die de maker zelf nog niet als zodanig had gezien.
Juist die externe blik kan daarbij waardevol zijn — niet omdat hij bepaalt wat de praktijk betekent, maar omdat hij een verbinding zichtbaar maakt tussen wat er al is. Zo kan een keuze die ooit vanzelfsprekend voelde, zich tonen als onderdeel van een langere ontwikkeling. Een experiment kan meer betekenis krijgen dan destijds zichtbaar was. Verschillende werken, hoe uiteenlopend ook, kunnen zich tonen als voortgekomen uit een vergelijkbare vraag.
Wanneer zulke verbanden zich zo tonen, ontstaat er geen nieuwe praktijk. Er ontstaat meer expliciete kennis over de praktijk die er al is — kennis die niet wordt losgemaakt van het maken, maar erin terugkeert. Niet als voorschrift, niet als vastgelegde identiteit, maar als een bewuster weten waaruit opnieuw gekozen kan worden.
Een makerspraktijk ontwikkelt zich dus niet alleen door nieuw werk te maken. Ze ontwikkelt zich ook doordat er, soms ongepland en soms door een ander georganiseerd, momenten van praktijkherkenning ontstaan — momenten waarop zichtbaar wordt wat zich in het maken zelf al had gevormd.
Literatuur
1. Pye, D. (1968). The Nature and Art of Workmanship. Cambridge: Cambridge University Press.
2. Polanyi, M. (1966). The Tacit Dimension. Chicago: University of Chicago Press.
3. Schön, D. A. (1983). The Reflective Practitioner: How Professionals Think in Action. New York: Basic Books.
Verder lezen
Wanneer krijgt werk duurzame waarde?
Over de ontwikkeling van waarde en de relatie tussen werk, betekenis, context en markt ->
Ontwerpen voor verwondering
Over de rol van verwondering in de ervaring van kunst en design ->
