Wanneer verandert kijken in een esthetische ervaring?
Auteur: Ruud van der Splinter / Dutch Luxury Design
Juli 2026
Waarom dit Praktijk Inzicht?
Binnen de hedendaagse makerspraktijk wordt veel gesproken over vorm, materiaal, techniek, concept en vakmanschap. Dat zijn onmisbare aspecten van het maakproces. Toch verklaren zij niet volledig waarom sommige werken ons nauwelijks raken, terwijl andere ons uitnodigen langer te kijken en steeds opnieuw iets te ontdekken. In dit Praktijk Inzicht onderzoeken we een vraag die daaraan voorafgaat: hoe ontstaat eigenlijk een esthetische ervaring?
Met een esthetische ervaring bedoelen we hier niet eenvoudigweg het mooi vinden van een object. We doelen op die bijzondere vorm van aandacht waarin een werk ons uitnodigt langer te kijken, nieuwe verbanden te ontdekken en betekenis geleidelijk te laten ontstaan. Niet iedere ontmoeting met kunst of design wordt zo’n ervaring. Sommige objecten begrijpen we vrijwel direct. Andere blijven ons bezighouden. Zij laten zich niet in één oogopslag kennen, maar lijken zich stap voor stap te ontvouwen.
Wat gebeurt er tijdens zo’n ontmoeting? Waardoor verandert kijken in een ervaring die ons nieuwsgierig maakt, onze aandacht verdiept en ons uitnodigt opnieuw te kijken? Die vraag is niet alleen interessant voor filosofen of kunsttheoretici. Zij raakt ook de kern van de hedendaagse makerspraktijk. Want wanneer makers beter begrijpen hoe een esthetische ervaring ontstaat, ontstaat ook een andere manier om naar het eigen werk en de ontwikkeling van de praktijk te kijken.
De ontmoeting
Het is stil in de museumzaal. Het daglicht valt zacht naar binnen en verdeelt zich gelijkmatig over de ruimte. Langs de wanden hangen werken die zich niet opdringen. Op enkele sokkels staan objecten die ogenschijnlijk niets van de bezoeker verlangen. Tijdens het lopen glijdt de blik van het ene werk naar het andere. Sommige objecten worden nauwelijks opgemerkt. Andere trekken heel even de aandacht. Het tempo blijft hetzelfde.
Totdat één werk de pas vertraagt. Niet omdat het groter is. Niet omdat het spectaculairder oogt. Integendeel. Het lijkt juist opmerkelijk terughoudend. Bij een eerste blik gebeurt er weinig. De beschouwer blijft nog even staan. Zonder precies te weten waarom, kijkt hij opnieuw. Hij zet een stap opzij. Loopt langzaam om het object heen. Niet omdat het werk verandert, maar omdat hij vermoedt dat er meer te ontdekken valt dan zich in de eerste blik liet zien.
Langzaam ontstaat er samenhang. Een detail dat eerst nauwelijks opviel, blijkt betekenis te krijgen in relatie tot een ander detail. De verhouding tussen materiaal en licht wordt anders ervaren. De ruimte rondom het object blijkt deel uit te maken van wat wordt waargenomen. Niet doordat het object nieuwe informatie prijsgeeft, maar doordat de ontmoeting zich begint te ontwikkelen.
Er ontstaat geen plotseling inzicht en ook geen onmiddellijke verklaring. Er ontstaat iets anders. Het vermoeden dat het object zich nog niet volledig heeft laten kennen. Dat vermoeden wekt nieuwsgierigheid. De beschouwer wil opnieuw kijken. Niet om bevestigd te krijgen wat hij al dacht te zien, maar omdat hij ervaart dat zich misschien iets laat ontdekken waarvoor hij nog geen woorden heeft. Het object is hetzelfde gebleven. Toch is de ontmoeting veranderd.
Misschien ligt daarin een ervaring die veel makers zullen herkennen. Niet alleen als beschouwer van het werk van anderen, maar ook tijdens het ontwikkelen van hun eigen werk. Soms ontstaat een moment waarop een object zich niet onmiddellijk laat begrijpen, maar wel uitnodigt om langer te kijken. Juist dat soort ontmoetingen lijken zich in ons geheugen vast te zetten. Maar waardoor gebeurt dat eigenlijk? Wanneer verandert kijken in een esthetische ervaring?
De praktijkvraag
Wanneer we spreken over de kwaliteit van kunst of design, richten we ons meestal op eigenschappen van het object. We spreken over compositie, materialiteit, originaliteit, technische beheersing of zeggingskracht. Dat zijn belangrijke begrippen. Zij helpen ons het werk te beschrijven en te vergelijken. Toch lijken zij niet volledig te verklaren waarom sommige objecten ons blijven bezighouden. Waarom lopen we aan het ene werk vrijwel ongemerkt voorbij, terwijl een ander werk ons uitnodigt stil te blijven staan? Waarom lijken sommige objecten zich steeds opnieuw te ontvouwen, terwijl andere zich in één oogopslag prijsgeven?
Misschien ligt de esthetische ervaring niet uitsluitend besloten in het object. Maar zij ontstaat evenmin uitsluitend in degene die kijkt. Misschien ontstaat zij juist in de ontmoeting tussen beide. Wanneer dat zo is, verschuift ook de vraag die we onszelf stellen. Dan onderzoeken we niet langer alleen welke eigenschappen een object bezit, maar vooral hoe een ontmoeting zich ontwikkelt. Hoe ontstaat aandacht? Waarom groeit nieuwsgierigheid? Waardoor ontstaat de behoefte opnieuw te kijken? En waarom lijkt betekenis zich soms pas geleidelijk te ontvouwen?
Om die vragen beter te begrijpen, gaan we in gesprek met een aantal denkers die zich ieder vanuit een eigen perspectief hebben verdiept in waarnemen, ervaring en verwondering. Hun inzichten brengen ons stap voor stap dichter bij de vraag waarmee dit Praktijk Inzicht begon: hoe ontstaat een esthetische ervaring, en wat betekent dat voor de hedendaagse makerspraktijk?
Het onderzoek
Een eerste stap vinden we bij de Amerikaanse filosoof John Dewey.¹ In Art as Experience verzet hij zich tegen het idee dat kunst uitsluitend begrepen kan worden als een object met vaste eigenschappen. Volgens Dewey krijgt een kunstwerk zijn betekenis niet alleen doordat het bestaat, maar doordat iemand zich ertoe verhoudt. Een esthetische ervaring ontstaat daarom niet uitsluitend in het object zelf, maar in de ontmoeting tussen het object en de beschouwer.
Dat lijkt een subtiel verschil, maar het verandert de vraag fundamenteel. Vaak spreken we over een kunstwerk alsof de betekenis al volledig in het object besloten ligt. Dewey draait dat perspectief om. Een object kan nog zo zorgvuldig ontworpen of gemaakt zijn; zonder een ontmoeting waarin iemand zich ervoor openstelt, ontstaat nog geen esthetische ervaring. Betekenis is geen eigenschap die eenvoudigweg in een object aanwezig is. Zij ontstaat geleidelijk terwijl iemand kijkt, ervaart, interpreteert en zich tot het werk verhoudt.
Dat verklaart waarom sommige werken zich niet onmiddellijk prijsgeven. Zij vragen niet om méér informatie, maar om een andere kwaliteit van aandacht. Niet een vluchtige blik die snel herkent of beoordeelt, maar een aandacht die bereid is langer bij een werk te blijven en de ervaring zich te laten ontwikkelen.
Daarmee ontstaat een nieuwe vraag. Wanneer betekenis ontstaat in de ontmoeting, hoe ontwikkelt die ontmoeting zich eigenlijk?
De Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty biedt daarop een belangrijk perspectief.² Volgens hem nemen wij de wereld nooit waar als een camera die een stilstaand beeld registreert. Waarnemen is een lichamelijke activiteit. Wij bewegen, veranderen van positie, richten onze aandacht opnieuw en ontdekken daardoor steeds andere aspecten van wat wij zien.
Dat inzicht heeft grote gevolgen voor de manier waarop we naar kunst en design kijken. Een object bestaat niet uit één definitief beeld. Wie langzaam om een object heen loopt, ervaart geen reeks identieke aanzichten. Licht, schaduw, perspectief, afstand en de verhouding tussen object en ruimte veranderen voortdurend. Niet omdat het object verandert, maar omdat de relatie tussen object en beschouwer voortdurend in beweging is. Waarnemen blijkt daarmee geen momentopname, maar een proces waarin de ontmoeting zich stap voor stap ontwikkelt.
Toch verklaart ook dat nog niet volledig waarom sommige ontmoetingen uitgroeien tot een esthetische ervaring. Wij kunnen immers ook aandachtig kijken naar een technische tekening, een gebruiksvoorwerp of een verkeerskaart zonder dat zo’n ervaring ontstaat. Er lijkt dus nog iets anders te gebeuren.
De Finse architect en denker Juhani Pallasmaa verdiept dit inzicht door te laten zien dat onze ontmoeting met kunst en ontwerp nooit uitsluitend visueel is.³ Wij kijken niet alleen met onze ogen; wij ervaren met ons hele lichaam. Materiaal, textuur, schaal, ritme, licht en ruimte vormen samen één zintuiglijke ervaring waarin zien, bewegen en voelen voortdurend met elkaar verweven zijn. Een object doet daardoor meer dan informatie tonen. Het nodigt uit tot een bepaalde manier van aanwezig zijn. Sommige werken vragen om beweging, andere om verstilling. Sommige laten zich onmiddellijk begrijpen, andere vragen tijd.
Misschien verklaart dat waarom sommige objecten zich niet in één oogopslag laten kennen. Zij vragen niet om een uitgebreidere uitleg, maar om een rijkere ontmoeting.
Toch blijft ook dan nog een vraag open. Waarom willen we eigenlijk verder kijken? Waarom ontstaat soms het gevoel dat een object meer in zich draagt dan wij op dat moment kunnen begrijpen? Juist daar verschijnt het begrip verwondering.
Al in de vierde eeuw voor Christus beschreef Aristoteles verwondering (thaumazein) als het begin van iedere vorm van filosofisch onderzoek.⁴ Daarmee bedoelde hij niet dat verwondering zelf antwoorden geeft. Integendeel. Verwondering ontstaat juist wanneer iets zich niet onmiddellijk laat verklaren. Wat eerst vanzelfsprekend leek, blijkt ineens raadselachtig. Op dat moment ontstaat een verlangen om verder te onderzoeken.
Verwondering is daarom geen vluchtige emotie van verrassing, maar een fundamentele houding van openheid. Zij markeert het moment waarop wij beseffen dat onze bestaande kennis nog niet toereikend is. Niet omdat wij niets begrijpen, maar omdat wij vermoeden dat er meer aanwezig is dan wij op dat moment kunnen bevatten. Dat klassieke inzicht krijgt opvallend veel steun vanuit hedendaags psychologisch onderzoek.
De Amerikaanse psycholoog Dacher Keltner beschrijft verwondering (awe) als een ervaring die onze gebruikelijke manier van waarnemen tijdelijk doorbreekt.⁵ Wij ontmoeten iets dat groter, rijker of complexer is dan ons bestaande referentiekader kan verklaren. Daardoor worden wij niet onmiddellijk tot een conclusie gedwongen, maar uitgenodigd onze manier van begrijpen te verruimen. Dat maakt verwondering zo bijzonder.
Waar veel ervaringen leiden tot snelle herkenning en beoordeling, nodigt verwondering juist uit tot vertraging. De behoefte om onmiddellijk te begrijpen maakt plaats voor nieuwsgierigheid. Niet omdat het object ingewikkeld wil zijn, maar omdat het zich niet volledig laat reduceren tot één betekenis.
Daarmee krijgt ook de behoefte om opnieuw te kijken een andere betekenis. Wij kijken niet opnieuw omdat wij de eerste keer onvoldoende hebben opgelet. Wij kijken opnieuw omdat wij vermoeden dat iedere nieuwe ontmoeting een nieuw aspect kan onthullen. Niet noodzakelijk nieuwe informatie, maar een nieuwe ervaring, een nieuw verband of een betekenis waarvoor wij eerder nog geen woorden hadden.
De antropologe Ellen Dissanayake plaatst deze ervaring vervolgens in een breder menselijk perspectief.⁶ Volgens haar behoort de behoefte om bepaalde objecten, handelingen of gebeurtenissen als bijzonder te ervaren tot een fundamenteel menselijke eigenschap. Mensen onderscheiden sommige dingen van het alledaagse en schenken daaraan bijzondere aandacht. Kunst en ontwerp vervullen daarin een bijzondere rol. Niet omdat zij uitsluitend schoonheid voortbrengen, maar omdat zij omstandigheden kunnen creëren waarin onze aandacht zich verdiept, onze waarneming vertraagt en wij worden uitgenodigd de wereld met andere ogen te bekijken.
Wanneer we nu terugkeren naar de museumzaal waarmee dit Praktijk Inzicht begon, zien we dezelfde ruimte als aan het begin van het verhaal. De objecten zijn niet veranderd. Het licht valt nog steeds door dezelfde ramen. En toch begrijpen we de ontmoeting nu anders. Niet omdat we meer weten over het object zelf, maar omdat we beter begrijpen wat zich tijdens het kijken ontwikkelt.
Een esthetische ervaring ontstaat niet uitsluitend in het object. Zij ontstaat evenmin uitsluitend in de beschouwer. Zij ontstaat in de ontmoeting tussen beide.
En misschien ligt juist daarin de betekenis van verwondering. Niet als doel van kunst of ontwerp, maar als een ervaring waarin aandacht, nieuwsgierigheid en betekenis elkaar beginnen te versterken. Verwondering is dan geen uitzonderlijk moment naast de ontmoeting, maar een kwaliteit die de ontmoeting verdiept en haar uitnodigt zich steeds verder te ontvouwen.
Van onderzoek naar de makerspraktijk
De denkers die we hebben besproken vertrekken vanuit verschillende disciplines. Dewey schrijft over kunst als ervaring. Merleau-Ponty onderzoekt de lichamelijkheid van waarnemen. Pallasmaa richt zich op de zintuiglijke ervaring van architectuur en ontwerp. Aristoteles beschrijft verwondering als het begin van onderzoek. Keltner onderzoekt de psychologie van awe en Dissanayake plaatst kunst binnen de menselijke behoefte om betekenisvolle ervaringen te creëren. Toch wijzen hun inzichten opvallend vaak in dezelfde richting. Een esthetische ervaring ontstaat niet uitsluitend door de eigenschappen van een object. Zij ontstaat ook niet uitsluitend door de beschouwer. Zij ontwikkelt zich in de ontmoeting tussen beide.
Dat inzicht heeft gevolgen voor de manier waarop we naar de hedendaagse makerspraktijk kijken. Wanneer een maker een object ontwikkelt, ontwikkelt hij niet alleen vorm, materiaal, techniek of compositie. Hij ontwikkelt ook de voorwaarden waaronder een ontmoeting kan ontstaan. Niet om de ervaring van een beschouwer te bepalen - iedere ontmoeting blijft immers persoonlijk en onvoorspelbaar - maar om ruimte te scheppen waarin aandacht zich kan verdiepen, nieuwsgierigheid kan ontstaan en betekenis zich geleidelijk kan ontvouwen.
Daarmee verschuift ook de ontwerpvraag. Veel makers beginnen vanuit vragen als: 'Welke vorm past het best?' 'Welk materiaal drukt mijn bedoeling het sterkst uit?' 'Hoe ontwikkel ik mijn vormentaal?'
Dat blijven wezenlijke vragen. Maar vanuit het perspectief van de ontmoeting komt er een vraag bij: ‘Welke ontmoeting maakt mijn werk mogelijk?'
Dat is geen vraag naar communicatie. Ook geen vraag naar marketing of publieksbereik. Het is een vraag naar de relatie tussen object en beschouwer.
Nodigt het werk uit tot vertraging? Blijft het zich ontwikkelen wanneer iemand langer kijkt? Ontstaat er ruimte voor verwondering, voor nieuwsgierigheid of voor nieuwe betekenis? Of geeft het object zichzelf onmiddellijk prijs, waardoor de ontmoeting even snel verdwijnt als zij begon?
Juist hier krijgt de makerspraktijk een andere betekenis. Wanneer makers terugkijken op hun eigen ontwikkeling, blijkt die ontwikkeling zelden alleen te gaan over betere techniek of een herkenbare stijl. Veel vaker gaat zij over een steeds dieper begrip van de ontmoetingen die hun werk mogelijk maakt.
Gaandeweg ontdekken zij welke ruimtelijke keuzes aandacht vertragen. Welke materialen een bepaalde gevoeligheid oproepen. Welke verhouding tussen eenvoud en complexiteit nieuwsgierigheid wekt. Welke mate van openheid ruimte laat voor eigen interpretatie. En welke keuzes een ontmoeting juist afsluiten voordat zij zich werkelijk heeft kunnen ontwikkelen.
Dat soort kennis ontstaat zelden uit theorie alleen. Zij ontstaat in de praktijk van het maken. In het experiment. In het opnieuw beginnen. In het terugkijken op voltooid werk. In gesprekken met beschouwers, verzamelaars, opdrachtgevers en collega’s. En in het langzaam herkennen van patronen die zich over meerdere werken heen beginnen af te tekenen.
Juist daarom zien wij de makerspraktijk niet alleen als een plaats waar objecten ontstaan. Wij zien haar ook als een bron van kennis. Een praktijk ontwikkelt zich doordat een maker steeds beter begrijpt welke vragen hij onderzoekt, welke ontmoetingen zijn werk mogelijk maakt en hoe die zich in de loop van de tijd ontwikkelen.
Dat inzicht verschuift ook de betekenis van praktijkontwikkeling. Praktijkontwikkeling gaat niet uitsluitend over het uitbreiden van een portfolio, het realiseren van nieuwe projecten of het vergroten van de publieke zichtbaarheid. Zij gaat over het steeds explicieter begrijpen van de onderliggende logica van de eigen praktijk. Pas wanneer die logica geleidelijk zichtbaar wordt, ontstaat ook meer helderheid over positionering, presentatie en communicatie. Niet omdat die onderwerpen belangrijker worden dan het werk. Maar omdat zij voortkomen uit een praktijk die zichzelf steeds beter leert begrijpen.
Praktijkinzicht
Het onderzoek laat zien dat een esthetische ervaring niet volledig kan worden verklaard vanuit het object of vanuit de beschouwer alleen. Zij ontstaat in de ontmoeting tussen beide. Vanuit de hedendaagse makerspraktijk willen wij daar een praktijkinzicht aan toevoegen.
Wanneer een maker zijn praktijk ontwikkelt, ontwikkelt hij niet alleen objecten. Hij ontwikkelt ook inzicht in de ontmoetingen die zijn werk mogelijk maakt.
Daarmee verschuift de aandacht binnen de makerspraktijk. De ontwikkeling van een praktijk gaat niet uitsluitend over het verfijnen van vorm, materiaal, techniek of concept. Zij gaat ook over het steeds beter begrijpen hoe het eigen werk zich verhoudt tot degene die het ontmoet.
Dat betekent niet dat een maker de ervaring van een beschouwer kan ontwerpen. Iedere ontmoeting blijft afhankelijk van de persoon, de context en het moment waarop zij plaatsvindt. Wel kan een maker onderzoeken welke eigenschappen van zijn werk uitnodigen tot aandacht, welke keuzes nieuwsgierigheid wekken en welke ruimtelijke, materiële of zintuiglijke kwaliteiten een ontmoeting verdiepen.
Misschien verschuift daarmee ook een fundamentele vraag binnen de hedendaagse makerspraktijk.
Niet alleen: ‘Wat wil ik maken?’
Of: ‘Wat wil ik vertellen?’
Maar ook: ‘Welke ontmoeting wil ik mogelijk maken?’
De hedendaagse makerspraktijk ontwikkelt zich niet alleen door nieuwe objecten voort te brengen. Zij ontwikkelt zich doordat een maker steeds beter begrijpt welke ontmoetingen zijn praktijk mogelijk maakt. Misschien is dat uiteindelijk de vraag die onder iedere makerspraktijk ligt: welke manier van ontmoeten ontwikkelt zich in mijn praktijk?
Literatuur
1. Dewey, J. (1934). Art as Experience. New York: Perigee Books.
2. Merleau-Ponty, M. (1945/2012). Phenomenology of Perception. Routledge.
3. Pallasmaa, J. (2012). The Eyes of the Skin: Architecture and the Senses. Wiley.
4. Aristoteles. Metafysica, Boek I.
5. Keltner, D., & Haidt, J. (2003). “Approaching Awe, a Moral, Spiritual and Aesthetic Emotion.” Cognition and Emotion, 17(2), 297–314.
6. Dissanayake, E. (2000). Art and Intimacy: How the Arts Began. University of Washington Press.
