Hoe groeit een makerspraktijk uit tot een bron van kennis?
Auteur: Ruud van der Splinter / Dutch Luxury Design
Juli 2026
Waarom dit Praktijk Inzicht?
In de hedendaagse makerspraktijk gaat veel aandacht uit naar het ontwikkelen van nieuw werk. Dat is begrijpelijk: het werk vormt het zichtbare resultaat van de praktijk. Maar terwijl het werk zich ontwikkelt, ontwikkelt ook de praktijk. In die ontwikkeling ontstaan terugkerende vragen, keuzes, materialen, ervaringen en werkwijzen die samen een eigen praktijklogica vormen. Juist die ontwikkeling blijft vaak impliciet.
Dit Praktijk Inzicht onderzoekt hoe een maker zijn praktijk onder woorden kan brengen. Niet door haar van buitenaf te analyseren, maar door de samenhang te onderzoeken die zich in het maken zelf heeft gevormd.
Ontmoeting
De galerie vraagt om een artist statement. Geen uitgebreide beschouwing, maar een korte tekst die bezoekers helpt het werk beter te begrijpen.
De maker opent een leeg document. De cursor knippert. 'Waar gaat je werk over?'
Het lijkt een eenvoudige vraag. Toch blijft het scherm leeg. Niet omdat de maker zijn werk niet kent. Integendeel. Jaren van onderzoeken, maken, twijfelen en opnieuw beginnen hebben een praktijk gevormd waarin materialen, terugkerende vragen, experimenten en ontmoetingen geleidelijk met elkaar verweven zijn geraakt. Juist dát blijkt moeilijk te beschrijven. Niet het afzonderlijke werk. Maar de praktijk waaruit dat werk is voortgekomen.
Dit moment zien we bij veel hedendaagse kunstenaars en productdesigners terug. Niet alleen wanneer een artist statement moet worden geschreven, maar ook tijdens gesprekken over een portfolio, een tentoonstelling of een nieuwe website. Steeds opnieuw ontstaat hetzelfde gevoel: de afzonderlijke onderdelen zijn wel te benoemen, maar zij lijken geen recht te doen aan de praktijk als geheel.
De uitdaging is niet dat makers hun praktijk niet kennen. Zij kennen haar van binnenuit. De uitdaging is dat deze kennis grotendeels impliciet is. Wanneer zij die onder woorden proberen te brengen, blijken de juiste formuleringen moeilijk te vinden. Hoe beschrijf je een ontwikkeling die jaren geleden begon met een fascinatie voor een materiaal? Hoe leg je uit waarom een mislukt experiment uiteindelijk belangrijker bleek dan een succesvol werk? Of waarom een vraag die ooit klein begon langzaam de rode draad van een hele praktijk is geworden? Wat zich over jaren heeft ontwikkeld, laat zich niet gemakkelijk samenvatten in enkele alinea’s. Toch is dat precies wat vaak van makers wordt gevraagd.
Misschien ligt daar de eerste vraag. Niet hoe een makerspraktijk beter kan worden beschreven. Maar wat een makerspraktijk eigenlijk is.
De praktijkvraag
Waarom voelt een makerspraktijk vaak rijker en samenhangender dan de begrippen waarmee wij haar proberen te beschrijven? Het meest voor de hand liggende antwoord is dat het om een communicatievraag gaat. Het verhaal moet scherper. De positionering duidelijker. De tekst overtuigender.
Dat zijn begrijpelijke reacties. Maar zij vertrekken allemaal vanuit dezelfde aanname: dat de praktijk al voldoende begrepen is en nu alleen nog goed verteld hoeft te worden. Misschien moeten we de volgorde omdraaien.
Misschien begint praktijkontwikkeling niet met de vraag hoe een praktijk zich presenteert, maar met de vraag hoe een makerspraktijk zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Pas wanneer wij dat beter begrijpen, kunnen wij onderzoeken hoe die praktijk zichtbaar kan worden.
Het onderzoek
Wie langere tijd met makers spreekt, merkt dat gesprekken zelden alleen over afzonderlijke werken gaan. Zij bewegen voortdurend tussen materiaal, experiment, eerdere projecten, mislukkingen, nieuwe ideeën, ontmoetingen en vragen die soms al jaren meegaan. Wat aanvankelijk losse gebeurtenissen lijken, blijken gaandeweg met elkaar verbonden.
Een werk roept een nieuwe vraag op. Een experiment krijgt jaren later betekenis. Een tentoonstelling verandert de blik op eerder werk. Nieuw werk gaat in gesprek met oud werk. De praktijk ontwikkelt zich niet als een reeks afzonderlijke projecten, maar als een doorlopend onderzoek.
Misschien ligt juist daar de sleutel. Misschien is een makerspraktijk niet in de eerste plaats een verzameling werken, projecten of professionele activiteiten. Misschien ontwikkelt zij zich als een samenhangend geheel waarin werk, maker, materiaal, vragen en ervaringen elkaar voortdurend beïnvloeden.
Dat is nog geen theorie. Het is een observatie. Juist vanuit die observatie wordt een gedachte van de filosoof Michael Polanyi relevant. In The Tacit Dimension beschrijft hij dat mensen vaak meer weten dan zij op een bepaald moment kunnen verwoorden. Hij noemt dat tacit knowledge: impliciete kennis die zich ontwikkelt in het handelen zelf.¹
Dat inzicht helpt verklaren waarom een maker vaak intuïtief voelt wanneer een werk klopt, terwijl zij niet altijd direct kan uitleggen waarom.
Maar Polanyi opent ook een nieuwe vraag. Als een maker voor een belangrijk deel impliciete kennis heeft over zijn praktijk, dan kan zij niet eenvoudig worden beschreven. De uitdaging is om woorden te vinden die recht doen aan de ontwikkeling en samenhang van die praktijk, zodat anderen haar kunnen begrijpen. Want juist in die ontwikkeling en samenhang ontstaan patronen. Bepaalde materialen keren terug. Bepaalde vragen blijven zich verdiepen. Keuzes die ooit intuïtief werden gemaakt, blijken achteraf een richting te hebben gegeven aan de praktijk als geheel. Niet omdat de maker die richting vooraf heeft ontworpen. Maar omdat zij zich geleidelijk heeft gevormd.
Praktijkontwikkeling krijgt daarmee een andere betekenis. Niet het bedenken van een identiteit. Maar het leren verstaan van de samenhang die zich in de praktijk heeft ontwikkeld. Vanuit dit perspectief wordt ook duidelijk waarom veel makers terughoudend reageren wanneer hun praktijk direct wordt benaderd als een positioneringsvraagstuk. Niet omdat zij het belang van communicatie ontkennen. En ook niet omdat zij zich tegen professionele ontwikkeling verzetten. Zij voelen intuïtief dat representatie pas overtuigend kan zijn wanneer eerst zichtbaar is geworden wat de praktijk in de loop van de tijd heeft ontwikkeld.
Daarmee ontstaat ook een belangrijk onderscheid in vertrekpunt. Vanuit een commerciële benadering ligt het voor de hand te beginnen bij de vraag hoe een onderneming betekenisvol wordt voor haar omgeving. Het narratief wordt ontwikkeld om aan te sluiten bij markt, publiek en positionering.
Bij de ontwikkeling van een makerspraktijk ligt de volgorde anders. Daar begint het onderzoek bij de praktijk zelf. Welke vragen hebben deze praktijk gevormd? Welke keuzes keren steeds terug? Welke samenhang heeft zich ontwikkeld? Pas daarna volgt de vraag hoe die samenhang zichtbaar kan worden voor anderen. Positionering krijgt daarmee een andere betekenis. Zij is geen constructie van identiteit, maar de representatie van een reeds onderzochte praktijk.
Bij een commerciële benadering van de praktijk, in plaats van het onderzoeken ervan, ontstaat gemakkelijk het gevoel dat woorden en beelden op zich wel zorgvuldig zijn gekozen, maar toch niet helemaal waarachtig voelen. Niet omdat de communicatie tekortschiet. Maar omdat de praktijk nog niet voldoende is verstaan. Misschien vraagt praktijkontwikkeling daarom in de eerste plaats niet om betere antwoorden. Maar om beter kijken. Naar de ontwikkeling van de praktijk. Naar de vragen die blijven terugkeren. Naar de verbanden die zich pas over langere tijd aftekenen. En naar de impliciete kennis die de maker in die ontwikkeling heeft opgebouwd. Vanuit dat begrip wordt zichtbaar dat een makerspraktijk meer is dan een verzameling afzonderlijke onderdelen. Zij ontwikkelt zich als een samenhangend geheel.
Praktijkinzicht
Een makerspraktijk laat zich niet begrijpen als een optelsom van werken, projecten, portfolio, positionering en communicatie. Zij ontwikkelt zich als een samenhangend geheel waarin werk, maker, materiaal, vragen en ervaringen elkaar voortdurend beïnvloeden. In die ontwikkeling bouwt de maker een vorm van impliciete praktijkkennis op die niet volledig zichtbaar is in afzonderlijke werken of beschrijvingen.
Praktijkontwikkeling begint daarom niet met het construeren van een verhaal over de praktijk. Zij begint met het leren verstaan van de samenhang die zich in de praktijk heeft gevormd. Pas daarna kunnen portfolio, presentatie, positionering en communicatie op een geloofwaardige manier uitdrukking geven aan wat er al is. Op deze manier is positionering geen constructie van identiteit, maar de representatie van hetgeen reeds aanwezig is in de praktijk.
Iedere makerspraktijk neemt een positie in. Niet omdat een maker daarvoor kiest, maar omdat werk altijd betekenis krijgt in relatie tot een context. Vanuit de hedendaagse makerspraktijk betekent positionering daarom iets anders dan het construeren van een aantrekkelijk beeld of het versterken van zichtbaarheid. Zij begint met het onderzoeken van de samenhang tussen het werk, de maker, de context en de ontwikkeling van de praktijk. Daarmee verschuift ook de vraag die een maker zichzelf kan stellen.
Niet alleen: ‘Hoe presenteer ik mijn werk?’
Maar eerst: ‘Welke ontwikkeling wordt zichtbaar wanneer ik naar mijn praktijk als geheel kijk?’
Betekenis voor de makerspraktijk
De eerste opgave is niet om de praktijk beter te communiceren, maar om haar eerst verwoordbaar te maken. Pas daarna kan zij helder worden gepresenteerd aan anderen. De primaire vraag is niet: Hoe vertel ik mijn verhaal? Maar: Welke samenhang heeft mijn praktijk in de loop van de tijd ontwikkeld?
Wie die vraag serieus onderzoekt, ontdekt vaak dat positionering, presentatie en communicatie geen losstaande opgaven meer zijn. Zij worden manieren waarop de praktijk zichzelf laat zien zonder haar eigen logica te verliezen.
Literatuur
- Michael Polanyi introduceert in The Tacit Dimension (1966) het begrip tacit knowledge: de gedachte dat mensen vaak meer weten dan zij expliciet kunnen verwoorden.
Verder lezen
- Polanyi, M. (1966). The Tacit Dimension. London: Routledge & Kegan Paul
- Schön, D. A. (1983). The Reflective Practitioner: How Professionals Think in Action. New York: Basic Books
- Sennett, R. (2008). The Craftsman. New Haven: Yale University Press
- Ingold, T. (2013). Making: Anthropology, Archaeology, Art and Architecture. London: Routledge.
